Niets.
Dat is niet waar. Ik voelde alles. Tegelijk.
Opluchting. Alsof iemand eindelijk z’n knie van mijn borstkas haalde. Alsof ik voor het eerst in maanden kon inademen zonder na te denken over inademen. En schuld, meteen. Nog voordat de mail in mijn verzonden-map stond, was-ie er al. Die stem. Maar je was niet eens écht ziek. Je had het gewoon duidelijker moeten zijn. Je maakt het erger dan het is.
Mijn lichaam zei: eindelijk. Mijn hoofd zei: je bent zwak.
Al weken – maanden misschien zelfs – kon ik de details niet meer bijhouden. En van alles wat hoog over was, maakte ik een verzameling details, waar ik dus vervolgens niet uit kwam. Zowel thuis als op werk. Ik staarde 99% van de tijd naar mijn scherm alsof het antwoorden ging geven, de rest van de tijd klikte ik op 1 van de tig geopende tabbladen of email, om er vervolgens van in paniek te raken.
Maar díe mail. Die ene mail. Die was perfect. Zakelijk. Correcte aanhef. Nette afsluiting. Ik vroeg zelfs om een afspraak met de bedrijfsarts. Uit mezelf. Dan zouden ze zien dat ik er zelf aan wil werken en me serieus nemen, want oh wat vond ik dat belangrijk. Wat anderen vinden. Alsof hun bevestiging mij de goedkeuring zou geven om mijn situatie te accepteren.
Ziekmelding was een keuze waar ik al zo lang ik me kon heugen tegenaan hikte. Maar ik was een ras-millennial. Dus ik ging door. Door. DOOR. Ondertussen sliep ik amper: twee, drie uur per nacht. En ik liep op ieder vlak in mijn leven vast. Het beste voorbeeld is de boodschappenlijst, die ik maar niet voor elkaar kreeg. En het feit dat er geen boodschappenlijst wás als ik dan in de supermarkt stond, en ik niet meer het vermogen had om ter plekke te verzinnen wat ik nodig had. Ik stond tussen de schappen alsof ik voor het eerst eten zag en probeerde mijn tranen binnen te houden, om ze vervolgens in de auto te laten gaan.
De energie miste. Het enthousiasme was uit mijn leven verdwenen. Alles was negatief, zwaar en ingewikkeld. En het was zo moeilijk om uit te leggen. Ik was altijd zo’n typisch blij ei dat alles leuk vond. Vónd. Verleden tijd. In plaats daarvan was ik geïrriteerd. Vooral tegen mijn man, en over iedereen, maar tegen iedereen blijf je aardig, altijd. Een inkomende mail en ik kon alleen maar naar mijn scherm staren. Compleet verlamd of in paniek. Hetzelfde gebeurde bij veranderende plannen, geen plannen, foutjes en ongelukjes, als ik iets niet direct snapte of door mijn eigen moodswings.
Ik verachtte mezelf om al het bovenstaande. De haat naar mezelf zat diep: Waarom ben ik zo? Waarom ben ik zo terwijl ik niet zo wíl zijn? Waarom doe ik niet gewoon normaal? Waarom slaap ik niet? Ik ben zo moe!
Ik had de keuze eindelijk gemaakt. Of eigenlijk had ik me laten overtuigen. Mijn huisarts had me namelijk doorverwezen naar een ergotherapeut, vanwege het slaapgebrek. Ik vond dat raar. Ik wist ook niet wat een ergotherapeut was. En de officiële definitie gaf niet bepaald vertrouwen: “De ergotherapeut adviseert en traint zodat de cliënt zijn dagelijkse activiteiten weer zelf kan uitvoeren. Denk aan: jezelf wassen, eten klaarmaken, stofzuigen, fietsen, biljarten en spelen.” (Bron: ergotherapie.nl)
Biljarten. Ik lag ’s nachts wakker en iemand ging me helpen met biljarten.
Maar deze dame was een fantastisch mens. Ze prikte snel door me heen. Daar zat ik. Huilend op de bank in een kantoor dat zo huiselijk was ingericht dat je vergat waar je was. Ze verklaarde me nog net niet voor gek dat ik — met alles gaande in mijn leven en de klachten die ik had — nog steeds aan het werk was. En haar net-niet-eyeroll zei genoeg.
Zij had me geholpen de knoop door te hakken. En het mailtje was eruit gegaan. Inclusief haar tip: vraag direct om een consult bij de bedrijfsarts. Zodat meteen duidelijk was dat dit geen griepje was. En dat ik mijn medewerking liet zien. Correct tot het einde. Natuurlijk. Helaas maakte dat voor de bedrijfsarts en mijn werkever geen **** uit.
Die eerste dag leek alles ineens nog veel erger. Niet omdat ik huilde. Niet omdat ik in bed lag. Maar omdat ik niks deed. En niks doen was voor mijn brein wat stilzitten is voor een kind met ADHD in een kamer vol met speelgoed. Ondraaglijk. Mijn lijf lag op de bank. Mijn hoofd maakte al een plan. Hoe lang mag dit duren? Wanneer wordt het gênant? Wat denken ze? Wat vertel ik aan anderen? Vertel ik het gewoon aan niemand? En: Ik heb nu wel tijd om dat laatste wandje te tegelen. Want als je toch niks doet, kun je net zo goed wat klusjes oppakken.
Little did I know: dat de opluchting zou er niet en eigenlijk voelde niets hieraan goed. Dat ik me schuldig zou gaan voelen, zó schuldig. Dat mijn brein een verhaal zou gaan schrijven waarin ik de slechterik was die het eigenlijk niet zo moeilijk had. Terwijl mijn lichaam schreeuwde om te stoppen, gebukt onder rugzak vol overduidelijke signalen. Vage kwalen. Klachten die ik wegwuifde. Nam voor wat ze waren, ‘ouderdomsdingetjes op je 37e’. Dingen waar ik al tijden vakkundig omheen werkte. Tot ik er niet meer omheen kon.
Ondertussen ben ik tweeënhalve maand verder en kan ik je een aantal dingen vertellen. Het is me het ritje wel. Je moet eerst de bodem bereiken om weer naar boven te klimmen. En dat is niet altijd makkelijk. Zeker niet als je bedrijfsarts en werkgever niet bepaald bijdragen aan je duurzame herstel.